Toeristenkaart, Er is zoveel te zien!

Historie van Woudbloem

Woudbloem is een vaartbuurt die na 1904 is ontstaan en in een erg oude omgeving ligt. Door het initiatief van plaatselijke boeren een aardappelmeelfabriek te stichten is Woudbloem ontstaan. Er kwam bewoning en later zelfs een school. Door na de campagne van 1967 de fabriek te sluiten is de groei van Woudbloem stilgevallen, maar de opmerkelijke geschiedenis is nog steeds aan de buurschap en het landschap af te lezen.

De geschiedenis van het landschap begint met de Fivelstroom. De rivier stroomde vanaf het Foxholmeer langs Scharmer en een andere tak uit de buurt van Slochteren naar het noorden. Ze kwamen even ten zuiden van het huidige Woudbloem bij elkaar om zich toch weer in twee armen te splitsen om zo van Woudbloem tot Schaaphok een kleinschalig rivierenlandschap te vormen. Noordelijker heeft de Fivel, een getijdenstroom die langs Woltersum, Wittewierum en verder liep om tussen Uithuizenmeeden en Spijk een brede mond naar de Waddenzee te vormen, zoveel klei aangevoerd dat de bedding is dichtgeslibd. Deze slechts drieëneenhalve kilometer lange zone langs de Scharmer en Slochter Ae’s is van onschatbare natuurlijke en historische betekenis. Het gebied wordt beheerd door Staatsbosbeheer.

Het fabriekscomplex van Woudbloem is er nog grotendeels. Er staan bovendien een villa met erker en een burgerhuis aan de kade van de Scharmer Ae, ongetwijfeld ooit bestemd voor fabrieksfunctionarissen. Nabij de klapbrug over de Ae staan twee rijen gepleisterde woningen voor de vroegere fabrieksarbeiders. De bebouwing aan de Woudbloemlaan bestaat uit burgerwoningen. Een gepleisterde woning vertelt dat deze in 1909 is gebouwd. Aan de oostzijde ligt bij de Slochter Ae een aantal finke boerenbedrijven.

In 1972 is ten zuiden van de buurt een gemaal in de Ae’s gebouwd, toen het grootste van de provincie. Het kon met twee krachtige Bronsmotoren voor een gebied van 6000 hectare de waterstand gaan beheersen. Een groot aantal poldermolens en dertien kleine gemalen werden hierdoor overbodig.

Tekst: © NoordBoek Groningen • Foto: © Peter Karstkarel